direct naar inhoud van 3.3 Provinciaal beleid
Plan: Dronten - Mechanisch Erfgoed Centrum (2031)
Status: geconsolideerde versie
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0303.2031-ONH1

3.3 Provinciaal beleid

Het beleidskader van de provincie Flevoland voor het totale omgevingsbeleid is omschreven in het Omgevingsplan Flevoland 2006. In dit plan is het integrale omgevingsbeleid voor de periode 2006-2015 neergelegd met een doorkijk naar 2030. Het beleid is gebaseerd op een visie voor de periode tot 2030, waarin de hoofdlijnen voor de gewenste verdere ontwikkeling worden geschetst.

In het plan zijn voor het Flevolandse grondgebied vier strategische plannen opgenomen: het streekplan, het milieubeleidsplan, het waterhuishoudingsplan en het verkeer- en vervoerplan. Het Omgevingsplan bevat tevens de hoofdlijnen van het economische, sociale en culturele beleid. Door het samenvoegen in één plan zijn de hoofdlijnen van het beleid van de provincie Flevoland compact en is de samenhang tussen de diverse beleidsterreinen het best gewaarborgd.

Op de afbeelding "Uitsnede Ontwikkelingsvisie 2030" is de beleidskaart weergegeven voor het plangebied en de omgeving.

.afbeelding "i_NL.IMRO.0303.2031-ONH1_0004.jpg"

Afbeelding: Uitsnede Ontwikkelingsvisie 2030

Het plangebied ligt centraal in de ontwikkelingsas West-Oost as. De West-Oost as is ook een speerpuntgebied. Het doel voor dit gebied is een versterking van de ruimtelijk-economische structuur. Met de verdere ontwikkeling van de ontwikkelingsassen zal op economisch terrein de schakelfunctie van Flevoland tussen de Randstad en Noord- en Oost-Nederland belangrijker worden. De opgaven voor wonen, werken en recreëren worden in belangrijke mate bepaald op bovenregionale schaal. In het gebied ontstaan mogelijkheden om meerdere ambities en doelen in te vullen, waardoor kansen worden gecreëerd om te ondernemen, experimenteren, etaleren en beleven. Verder ligt het nabij een natuurgebied dat onderdeel uitmaakt van de EHS.

Het plangebied ligt in het landelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van het Mechanisch Erfgoed Centrum (MEC). De provinciale beleidsregel "Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied" is van toepassing. Deze beleidsregel biedt ruimte voor nieuwe (niet-agrarische) functies ten behoeve van de versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied. In het Omgevingsplan is aangegeven dat het denkbaar is dat deze beleidsregel te beperkend blijkt te zijn om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. De provincie wil dan het beleidskader op experimentele basis verruimen.

Voor de voorgenomen ontwikkeling is de beleidsregel te beperkend, daarom wordt het experimentenkader toegepast, zie hiervoor Bijlage 3 Notitie Experimentenkader. Het uitgangspunt voor het experimentenkader in het algemeen is dat het planologisch regime voor dat gebied op experimentele basis kan worden verruimd om gewenste integrale ontwikkelingen met wonen, recreatie en bedrijvigheid als economische dragers in het gebied mogelijk te maken. Als voorwaarde hierbij geldt dat in het ruimtelijk ontwerp de integrale kwaliteitsimpuls voor het gebied wordt aangetoond.

Uit de toets aan het experimentenkader blijkt dat bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls voor het gebied. De ontwikkeling draagt bij aan de vitaliteit van het landelijk gebied door de aanvulling op het recreatieve aanbod. Met de ontwikkeling krijgt de ruimtelijke kwaliteit van het gebied een sterke impuls. Het terrein wordt hoogwaardig ingericht. Het MEC laat het mechanisch erfgoed beleven, geeft ruimte aan oude ambachten en biedt een extra dimensie aan het polderconcept. Het MEC biedt ruimte aan expositie en educatieve functies. Door de toevoeging van een nieuwe dimensie aan het polderconcept wordt het karakter van de provincie beter geprofileerd. De ontwikkeling van het MEC biedt de kans om het reeds bestaande bebouwde terrein meer ruimtelijke kwaliteit te geven. De bebouwing wordt landschappelijk ingepast, waarbij is ingespeeld op de bestaande kwaliteiten van de omgeving. Middels de eyecather in de vorm van de toren wordt het MEC ook verbonden met de omgeving. Bij de inrichting van het terrein worden duurzame inrichtingsmaatregelen getroffen en is rekening gehouden met de landschappelijke en ecologische waarden. De vitaliteit van het gebied wordt versterkt door een toename van de werkgelegenheid. Het MEC levert een bijdrage aan de economie van de provincie en de gemeente Dronten. Voor de Lage Vaart, het nabijgelegen fietsnetwerk en de westzijde van de kern Dronten bij het Wisentbos wordt ingezet op de ontwikkeling van extensieve recreatieve functies. Gelet op deze routestructuren is het MEC een aanvulling op het recreatieve aanbod in deze routes.

In het Omgevingsplan zijn voor het plangebied de volgende aspecten opgemerkt:

  • Rekening houden met obstakelvrije zone van luchthaven Lelystad. Dit betreft een zone waar geen obstakels van meer dan 150 meter hoog mogen worden gerealiseerd. Het MEC voldoet aan deze voorwaarde.
  • Water voor bos en natuur: In het plangebied vallen het zuidelijkste deel van de toegangsweg en het bosstrookje hieronder. Het gebied heeft een natuurfunctie waarop het waterpeil dient te worden afgestemd om deze te beschermen.
  • Basis recreatietoervaart net (BRTN): De Lage Vaart maakt deel uit van de BRTN. Door middel van de BRTN moeten de landelijke routestructuren worden gewaarborgd.
  • Ecologische Hoofdstructuur (EHS): De delen van het plangebied buiten het MEC-terrein en een klein deel van het plangebied, zijn aangewezen als waardevolle gebieden in de EHS. Dit zijn gebieden met een hoge actuele of potentiële natuurwaarde. De gebieden zijn essentieel voor de gewenste samenhang en kwaliteit van de EHS. Binnen deze gebieden is de ruimte voor het toepassen van de saldobenadering beperkt, tenzij de natuurkwaliteit en/of -kwantiteit en de gebruikswaarde van het gebied verbeteren. Bij de voorgenomen ontwikkeling blijven de ecologische waarden van deze gebieden in stand.
  • Landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten: De Lage Vaart behoort tot de kernkwaliteiten die bepalend zijn voor het karakter van Flevoland, waarmee de essentie van het polderconcept wordt gewaarborgd.
  • Om voor de lange termijn (2050) te voldoen aan het vereiste minimale beschermingsniveau, zal in deze gebieden de wateropgave gebiedsgericht worden opgelost waarbij de trits vasthouden-bergen-afvoeren het uitgangspunt is.

Bij de ontwikkeling van het MEC is rekening gehouden met de bovenstaande aandachtspunten. In het kader van de ontwikkeling, is in Hoofdstuk 2 en Bijlage 3 Notitie Experimentenkader nadere aandacht besteed aan de manier waarop wordt omgegaan met landschap, cultuurhistorie en recreatie. In Hoofdstuk 4 is gekeken naar water, natuur en de obstakelvrije zone. Deze integrale benadering geeft aan dat er op een divers gebied sprake is van een versterking van de kwaliteiten.

Conclusie

Vanuit het Omgevingsplan worden geen specifieke belemmeringen opgelegd voor het plangebied. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient het provinciaal beleid op experimentele basis te worden verruimd. Hiervoor is het Experimentenkader opgesteld.